Ronny Pouw:
“Toen ik moest onderduiken was ik ruim 8,5 jaar. Ik woonde in Amsterdam. Een meneer die al een paar keer bij mijn ouders was geweest, hij heette Jaap, kwam me halen. We gingen met de trein naar Heerlen in Zuid-Limburg.”
Onderduiken
“De eerste ongeveer vier maanden ben ik in Heerlen bij drie verschillende families ondergedoken geweest. Daarna kwam Jaap weer en hij nam me mee naar Brunssum, dat ligt ongeveer vijftien kilometer van Heerlen. Dat was een heel grote familie. Er was nog een meisje ondergedoken, zij was ongeveer een jaar ouder dan ik. Soms kwam er voor korte tijd nog wel een kind, dat ergens anders weg moest en waar dan weer een nieuw onderduikadres voor gevonden moest worden. Daar ben ik bijna een jaar geweest. Ik mocht daar gewoon naar buiten en op zondag gingen we altijd met ons allen, dat waren vaak wel een stuk of vijftien personen, naar de kerk. Die kerk was in een andere plaats die Treebeek heet en het was ongeveer een uur en een kwartier lopen.
Toen het daar in Brunssum gevaarlijk werd, moest ik weg. Ik ben eerst een paar dagen in die kerk in Treebeek achter het orgel verstopt, met het andere meisje. Daarna zijn we drie of vier weken in de kelder van een gebouwtje geweest, dat ergens op de hei bij Brunssum stond. We waren daar met een stuk of zes personen.
Begin januari 1944 werd ik naar Nijverdal gebracht. Daar in het bos een paar zomerhuisjes en in een van die huisjes heb ik gewoond met nog vier meisjes. Ik was toen tien jaar en de jongste van de vijf was ongeveer twee jaar ouder dan ik. Jaap was ook bij ons. Er was ook altijd een mevrouw die voor ons zorgde. Dat werd gedaan door verschillende jonge vrouwen, die soms een paar weken en soms een paar maanden bleven. Twee keer in de week kwam er een juffrouw van een school in Nijverdal, die ons les gaf, juffrouw Arnold. Vlak bij dat huisje was een grote zandafgraving, een heel grote zandkuil. Ik ging daar wel eens in en ik zag dat daar in het zand ook mooie steentjes waren. Ik ben daar begonnen met stenen te verzamelen en dat ben ik mijn hele leven blijven doen. Achter dat bos waar het huisje stond was een heideveld. Ik heb daar hagedissen gevangen die ik in het huisje in een grote glazen bak mocht hebben.”
Verraden
“In september 1944, toen we dus ongeveer acht maanden in dat huisje woonden, werden we verraden. Er kwamen een paar Duitsers en Jaap zei dat we heel gauw moesten wegrennen, het bos in. Jaap werd gevangen genomen. Ergens aan het begin van de avond kwam er iemand die wij kenden, die ons in het bos heeft gevonden. Die meneer heeft ons meegenomen. Waar we die nacht waren weet ik niet meer. Twee van ons werden naar een dorp gebracht dat Lemelerveld heet. Ik kwam daar op een boerderij een heel eind buiten het dorp, het andere meisje kwam bij een gezin in het dorp. Op die boerderij ben ik vier of vijf weken geweest. Ook daar heb ik weer veel dingen gezien die ik niet kende.
Hierna werd ik weer naar Nijverdal gebracht, nu naar een familie die in het dorp woonde. Ik mocht niet op straat komen, maar ik mocht wel in de tuin. Hier ben ik ongeveer vier maanden geweest. Ik weet niet meer waarom ik daar weg moest. Ik werd naar een familie gebracht die voor mij een beetje bekend was. De meneer was een broer van de eigenaar van het huisje in het bos.
De tweede dag dat ik bij die familie was, werd Nijverdal heel erg gebombardeerd. Er viel ook een bom op het huid van die familie, maar wij zaten met ons allen in een loopgraaf in de tuin. Er mankeerde ons dus gelukkig niets, maar het huis was helemaal kapot. Dat was met veel huizen in Nijverdal en iedereen die geen huis meer had werd met paarden en wagens naar andere plaatsen gebracht. Ik ging met de familie naar Marle, een dorp waar wij op een boerderij kwamen.
We zijn daar twee weken geweest, tot 6 april, toen werden Marle en Nijverdal bevrijd. De familie waar ik bij was, kreeg een ander huis in Nijverdal en ik mocht bij ze blijven.”
Ouders en tante
“Ik had nog een tante en een nichtje die allebei ook ondergedoken waren, maar niet bij elkaar. Mijn tante zat in Heerlen en mijn nichtje in Hengelo. Op 24 mei kwam mijn tante ons halen. We gingen naar Heerlen en we hebben daar met ons drieën in een pleeggezin gewoond.
Ik vind het heel moeilijk om te zeggen hoe het voelt om ondergedoken te zijn. Ik had het gevoel dat ik, ik weet natuurlijk niet hoe dat met andere kinderen was, automatisch wist hoe ik me moest gedragen, wat ik niet kon of mocht zeggen, of waar ik niet over mocht spreken omdat het gevaarlijk was. Ik ben dus nooit ontdekt of gevonden en omdat ik twee keer op tijd weggebracht ben, heb ik ook nooit een Duitser gezien.
Ik had geen broertjes en zusjes. Mijn ouders konden geen onderduikadres vinden waar ze samen konden zijn. Zij zijn in Amsterdam door de Duitsers opgepakt en via Westerbork naar Auschwitz gestuurd. Ze zijn niet naar de gaskamers gebracht, maar ze moesten werken. Mijn moeder is aan een ziekte overleden. Ik weet niet precies wanneer. Mijn vader is in maart 1945 overleden.
Wij hadden een kleine familie, mijn opa en oma, een tante en oom en een neefje en een oom zijn allemaal overleden. Mijn andere opa is in het begin van de oorlog aan een ziekte overleden, mijn oma en een tante ook in een kamp overleden.
Ik geloof dat ik niet heb gehuild toen ik bij mijn ouders wegging. Pas na de oorlog voelde ik me heel naar. Ik voelde me erg alleen.
Het was heel eng toen ik in Treebeek achter dat orgel in de kerk zat, en in die kelder vond ik het een beetje eng. Vooral in Brunssum was het leven heel gewoon en in het huisje in Nijverdal vaak ook.
Ik heb veel gelezen over Duitsers en joden. Ik vind het heel moeilijk om uit te leggen waarom de Duitsers de joden zo haatten. Dit wordt antisemitisme genoemd.”


[...] Oorlogsverhaal 2 [...]