Ronny Pouw:
“Ik ben geboren in november 1933. Toen de oorlog begon was ik dus 6,5 jaar en toen de oorlog afgelopen was 11,5 jaar. Ik woonde in Amsterdam en ik had geen broertjes of zusjes.”
Onderduiken
“Ongeveer 1 jaar nadat de oorlog was begonnen, moesten joden een ster gaan dragen en er waren ook allerlei plaatsen waar joden niet mochten komen. Mijn ouders hebben in juli of augustus 1942 een meneer leren kennen, Jaap, die samen met zijn broer en een vriend begonnen was om joodse kinderen uit Amsterdam te laten onderduiken in Zuid-Limburg. Mijn nichtje was het eerste kind dat ze daar naartoe brachten en ik was de tweede. Begin augustus ging ik weg bij mijn ouders en ik ben eerst in ongeveer vier maanden bij drie verschillende families in Heerlen geweest. Ik kwam daar niet op straat, maar bij twee van die huizen was een tuin en daar mocht ik wel komen.
Begin november 1942 werd ik naar een familie in Brunssum gebracht, dat ligt niet ver van Heerlen. Dat was een heel groot gezin waar nog een meisje ondergedoken was dat ongeveer een jaar ouder was dan ik. Een paar van hun oudste kinderen, die al twintig jaar of wat ouder waren, zaten bij, wat ‘de ondergrondse’ genoemd werd. Zij deden dus allerlei dingen die de Duitsers niet mochten weten. Er kwamen ook heel vaak jonge mannen en vrouwen, zoals de man die mij uit Amsterdam had meegenomen, om een paar dagen daar te logeren. Vaak waren we daar met wel 16 of 17 personen en moesten we met ons drieën in een tweepersoonsbed slapen.
Daar in Brunssum mochten we, dat andere meisje en ik, wel gewoon op straat komen. Dat kwam omdat in Zuid-Limburg veel mensen woonden die ook donker haar hadden, net zoals wij. Soms kwam er voor een paar dagen nog een ander joods kind, omdat dat kind weg moest van de familie waar het ondergedoken was. De mensen van de ondergrondse moesten dan een nieuwe familie gaan zoeken voor dat kind. De kinderen van die familie die nog op school zaten en dat andere joodse meisje en ik moesten natuurlijk meehelpen in huis. Iedere dag haalden we met twee mensen om de beurt vijftien kilo aardappels bij een groenteboer die ongeveer tien minuten lopen van dat huis woonde. Die aardappels moesten iedere dag geschild worden.”
Mijn ouders
“Zo nu en dan kwam Jaap mij bezoeken om me over mijn ouders te vertellen. Hij had dan mijn ouders bezocht. Jaap probeerde ook voor hun een onderduikadres te vinden, maar dat was niet makkelijk. Hij had een adres gevonden, maar daar kon maar een van mijn ouders komen en mijn ouders wilden bij elkaar blijven. In de zomer van 1943 zijn er in Amsterdam een paar grote razzia’s geweest. Er zijn toen heel veel joden opgepakt en naar Westerbork, dat ligt in Nederland, of meteen naar kampen in Duitsland of Polen gestuurd (bij een razzia gingen heel veel Duitse soldaten in een buurt waar veel joden woonden, in alle huizen naar binnen en namen de mensen mee). Mijn ouders zijn toen ook meegenomen en naar Westerbork gestuurd en later, maar ik weet niet precies wanneer, naar Auschwitz gestuurd. Ze zijn daar niet naar de gaskamer gegaan, maar moesten in dat kamp werken. Ik weet niet wat ze moesten doen.
Na de oorlog heb ik gehoord dat mijn moeder aan een ziekte is overleden. Mijn vader is begin 1945 overleden, kort voor het einde van de oorlog. Ik ben dus niet in een concentratiekamp geweest. Mijn oom en tante en neefje en mijn opa en oma zijn ook bij een grote razzia opgepakt. Zij zijn allemaal meteen naar Sobibor in Polen gestuurd en daar moesten ze direct naar de gaskamer.”
Acht adressen
“Eind 1943 moesten dat andere meisje en ik weg bij de familie in Brunssum, omdat het daar te gevaarlijk werd. Ik ben toen op verschillende plaatsen ondergedoken geweest, soms ergens een paar weken, soms een paar maanden. Alles bij elkaar ben ik op acht adressen geweest.
In maart 1944 was ik bij een familie in Nijverdal ondergedoken. De tweede dag dat ik daar was, is er een groot bombardement op Nijverdal geweest. Er is toen ook een bom gevallen op het huis van die familie, maar gelukkig zaten wij met ons allen in een loopgraaf in de tuin en ons mankeerde niets. Het huis was wel helemaal plat. Wij zijn toen met naar Marle gegaan, een dorp ongeveer dertig kilometer van Nijverdal. Daar kwamen mijn onderduikfamilie en ik op een boerderij. Ongeveer twee weken daarna hoorden we dat we bevrijd waren. De familie uit Nijverdal kreeg daar een ander huis en toen zij daar naartoe gingen, ging ik met ze mee.
Ik had nog een tante, de moeder van mijn nichtje, die de oorlog heeft overleefd. Eind mei 1945, dus een paar weken nadat de oorlog was afgelopen, heeft ze mijn nichtje en mij opgehaald. Mijn nichtje woonde toen bij een pleeggezin in Hengelo waar ze ondergedoken was geweest. Ik woonde in Nijverdal bij het laatste gezin waar ik ondergedoken was geweest. Wij gingen weer naar Heerlen, naar het gezin van een dominee. Mijn nichtje was daar een tijd ondergedoken geweest. Met ons drieën hebben wij daarna ongeveer zeven jaar bij die familie gewoond.”
Honger, bommen, fietsen en Radio Oranje
“Ik heb nooit honger gehad omdat ik niet in Amsterdam of in dat deel van Nederland heb gewoond toen er weinig eten was. Ik denk dat de families bij wie ik het laatste jaar van de oorlog ondergedoken was, naar de radio luisterden, dus ik heb nooit naar Radio Oranje geluisterd. Ik hoorde pas na de oorlog over Radio Oranje. Ik was elf jaar en als mensen stiekem iets deden, dan vertelden ze dat niet aan een kind. Ik ben ook nooit buiten geweest als er bommen vielen. Een keer heb ik heel in de verte gezien dat er bommen uit een vliegtuig kwamen, maar ik kon niet zien waar die bommen vielen. Ik heb nooit doden gezien. Omdat ik de laatste jaren van de oorlog in het oosten van het land ondergedoken was, heb ik nooit bloembollen gegeten en ik heb ook geen hongertocht gelopen. Ik had geen fiets en die kon dus ook niet afgepakt worden. En ik heb het ook nooit koud gehad, ik hoefde dus geen boeken te verbranden of houtblokjes van het spoor te halen om warm te blijven.”
Thuis
“Een van jullie vroeg hoe ik me voelde. Ik vind dat een beetje moeilijk uit te leggen. Ik woonde met mijn tante en mijn nichtje bij pleegouders, maar ik heb dat nooit als een eigen thuis gevoeld. Ik kreeg pas een eigen thuis toen ik getrouwd was. Door de oorlog ben ik een moeilijk kind geworden, maar ik denk dat ieder kind dat in niet-normale omstandigheden opgroeit een moeilijk kind wordt. Dit zal wel met alle kinderen het geval zijn die in een land wonen waar oorlog is, of oorlog is geweest.”


[...] Oorlogsverhaal 1 [...]